tekstfragmenten marlen h. 

 

 

Ostia Antica, foto marwin vos

 

 

 

Mijn geliefde is van steen

6 september 1969

 

 

Mijn geliefde is van steen en bezit slechts een hoofd.

Hij staat in Ostia Antica in een museum. Hij weet niet dat ik hem liefheb want hij is ongeveer duizend jaar dood. Wat zijn nu duizend jaar. Hij is levendiger dan ik. Zijn mond en zijn ogen hebben me gewekt. Ik zou hem kunnen kussen en hij zou het niet weten. De aangenaamste vorm van liefde zou ons zijn gegund. Zijn stenen mond is spottend en een beetje wreed, misschien ook slechts zonder hoop en cynisch, want in die tijd begon men de dood te begrijpen. Vroeger kenden ze slechts het genot en het einde snel of martelend maar onbegrijpelijk en daarom niet bitter.

Alles was in orde. Het leven was bitter en mooi en meteen daarna afgelopen. Zo was het. En plotseling gebeurde iets in hun hersenen en ze beseften dat ze de bedrogenen waren. Ze noemden het ding ziel dat hun dat geleverd had. Enkelen begonnen vrouwen lief te hebben of uberhaupt lief te hebben omdat de gedachte haar te verliezen plotseling pijn deed. Er waren geen inwisselbare lichamen meer maar onverwisselbare ogen, geuren en monden, herinneringen.

Dit was de tweede grote mutatie en de mens begon werkelijk te lijden want de ziel was ontdekt.

Blandula vagula, het troetelzieltje. Een troetelzieltje verliezen is bitterder dan langzaam longen, lever, hersenen te missen. Niet iedereen wist het meteen maar enkelen. Een scherpe bliksem flitste door hun hersenen en hun ogen zagen de dingen die ze moesten verlaten en ze wisten dat er geen terugkeer en geen weerzien is. Dat maakte ze gek. Ze deden het kwade niet meer onschuldig zoals dieren maar bewust en vertwijfeld en de moderne mens werd geboren.

Mijn geliefde van steen staat in Ostia Antica en was een van hen. Hij was zeer trots, zeer slecht en zeer vertwijfeld. Hij zou mij, als zijn steenogen me konden zien, maar steenogen zien niet, verachten, want ik ben niet trots, niet slecht, niet vertwijfeld. Niet meer. Ik heb me overgegeven en zou mijn ziel graag teruggeven, ik weet alleen niet aan wie, geen mens meer zijn alleen de smaragdhagedis die zich op de mozaïeken van Ostia zont. Een lichaam dat de zon opneemt, een piepklein brein dat niet denken kan en waarvoor slechts het heden bestaat en niet weet waarom een mens haar vertrapt. Een mens die een ziel bezit en hagedissen moet vertrappen wil hij zich niet de keel doorsnijden.

Mijn geliefde in Ostia Antica. Op een dag zal ik zo lang voor je staan tot jouw lege oogholten me kunnen zien. Je mondhoeken, de mooiste en bitterste die er zijn, zullen trekken en lachen over hetgeen wat van jullie geworden is. Maar vergeet dan niet dat jullie het begin hebben gemaakt. Of vergeet het, want jullie hebben haar niet gemaakt. Zij is over jullie heen gekomen en jullie waren trots, slecht en vertwijfeld over dat wat men, wie is men, jullie en ons heeft aangedaan. Ik verraad je een geheim, dat ik in vijftig jaar heb ontdekt. De ziel ligt in het sterven. Onze nakomelingen zullen weer hagedissen zijn, maar hagedissen met hersenen en ze zullen voor jou en mij verschrikkelijk zijn. Ik zal ze niet meemaken. Jou zullen ze stuk slaan en tot kalk verbranden en waar zijn dan onze zielen. Ze zitten onzichtbaar in de antieke bar en lachen en de lucht zal ruisen van gefluister en gelach van de spokenschaar die we zullen zijn en ze eten radijs en ui en drinken rode wijn en we zullen gelukkig en triest zijn zoals het hoort voor zielen

 

uit de biografie ‘Wahrscheinlich bin ich verrückt…’, door Daniela Strigl, vertaling marwin vos

 

 

Ostia Antica, foto marwin vos

 

 

Maak je geen zorgen

Maak je geen zorgen. Je hebt teveel en te weinig gezien, zoals alle mensen voor je. Je hebt teveel gehuild, misschien ook te weinig, zoals alle mensen voor je. Misschien heb je teveel liefgehad en gehaat – maar niet zo lang – twintig jaar of zo. Wat zijn nu twintig jaar? Toen was een deel van je dood, precies zoals bij alle mensen die niet meer kunnen liefhebben of haten.

Je hebt veel pijn verdragen, met tegenzin – zoals alle mensen voor je. Je lichaam was snel een last voor je, je hebt er nooit van gehouden. Dat was slecht voor je – of ook goed want aan een ongeliefd lichaam hangt de ziel niet zo erg. En wat is de ziel? Waarschijnlijk heb je er nooit een gehad, alleen verstand en dat hield geen rekening met gevoelens. Of was er soms nog iets anders? Enkele ogenblikken lang? Bij de aanblik van akkerklokjes of kattenogen en het verdriet om een mens of bepaalde stenen, bomen en beelden; de zwaluwen boven de grote stad Rome.

Maak je geen zorgen.

Ook als je met een ziel behept was, wenst zij niets anders dan een diepe, droomloze slaap. Het ongeliefde lichaam zal geen pijn meer doen. Bloed, vlees, botten en huid, alles zal een hoopje as zijn en ook de hersenen zullen eindelijk ophouden te denken. Daarvoor zij God gedankt, die niet bestaat.

Maak je geen zorgen – alles zal vergeefs geweest zijn – zoals bij alle mensen voor jou. Een hele gewone geschiedenis.

Steyr, 26.2.1970   Marlen Haushofer

 

uit de biografie ‘Wahrscheinlich bin ich verrückt…’, door Daniela Strigl, vertaling marwin vos

 

Ostia Antica, foto marwin vos

 

 

Marlen Haushofer, geboren Frauendorfer, leefde van 1920 tot 1970, hoofdzakelijk in Steyr, Oostenrijk. Ze schreef onder andere die Wand (in 2012 verfilmd), Wir töten Stella, die Tapetentür en Bartl’s Abenteuer (over de kater Bartl). Ze was huisvrouw en moeder en werkte in de tandartspraktijk van haar man. Van Gennep Amsterdam heeft recent verschillende boeken van haar opnieuw uitgegeven, vertaald door Ria van Hengel. De twee eerste boeken van MH zijn onuitgegeven gebleven omdat ze handelden over enkele vrouwen die een man vermoorden, en daarmee wegkomen. De manuscripten zijn sindsdien verdwenen.

in die Wand heeft ze toch een onbestrafte moord kunnen voegen

Dass der ungesühnte Mord ein sehr gefährliches Thema ist, hab ich gewusst. Ich lasse ihn von einer Frau begehen, für die ja die männlichen Moralgesetze eigentlich nicht bestehen.

 

Diese Hausarbeit wird mir auch sauer und hängt mir nachgerade zum Hals heraus, weil sie so idiotisch ist und mich nur Zeit und Kraft kostet. Beruflich nähre ich mich von Ärger.

 

Brief vom 31.8.1968 an Jeannie Ebner

 

 

Ich hab eingesehen, dass niemand zwei Herren dienen kann u. dass (für mich) immer der lebende Mensch den Vorrang hat. Wenn meine Kinder (17 1/2 u. 16) aus dem Wasser sind, in etwa 3 Jahren, werde ich mich wieder meinem 2. Herrn zuwenden. Und sollte ich dann zu müde oder total verblödet sein, so macht es auch nichts aus. Es ist nicht schade um ein Talent, dass diese Probe nicht aushält.’

Brief an Jeannie Ebner vom 8.1.1959 Wiener Stadt- und Landes bibliothek, Handschriften- sammlung Jeannie Ebner

uit: Strigl

 

 

uit het verhaal Schreckliche Treue:

 

 

“Es gab gar nichts mehr als die sinnlose Qual der Geschöpfe. Nachts lag er wach und spürte seine Haut porös und brüchig werden, bis sie widerstandslos den fremden Schmerz, der nicht länger fremd war, einsickern liess. (-)
Später, als der Anfall vorübergegangen war, stand er auf und trat ans Fenster. Der Himmel war blauschwarz und ein Schneegestöber fiel über die Stadt her.
Dann sah er die Stechmücke. Sie klebte aussen an der Scheibe, ein unsagbar zartes Geschöpf auf zitternden haardünnen Beinchen und fast durchsichtig. Ohne zu überlegen, nur von dem blinden Drang getrieben, das winzige Wesen zu retten, öffnete er das Fenster. Die Stechmücke taumelte von der Scheibe weg, und mit grausamer Langsamkeit senkte sich eine riesige Schneeflocke über sie und begrub sie.”

 

 

 

tekstfragmenten uit Die Wand, van Marlen Haushofer, 1968

 

 

‘Niet dat ik bang ben een dier te worden, dat zou niet zo erg zijn, maar een mens kan nooit een dier worden, hij stort aan het dier voorbij in de afgrond, ik wil niet dat mij dat overkomt. In de laatste tijd heb ik juist hiervoor grote angst en deze angst laat me mijn bericht schrijven. Als ik het einde heb bereikt zal ik het goed verbergen en vergeten. Ik wil niet dat het vreemde ding waarin ik zou kunnen veranderen het op een dag vindt. Ik zal alles doen om aan deze verandering te ontkomen maar ik heb niet genoeg inbeelding om vast te geloven dat mij niet zou kunnen overkomen wat met zoveel mensen voor mij is gebeurd.’ p 44

 

‘Ik geloof niet dat mijn gedrag het gevolg is van een bepaalde zwakte of sentimentaliteit, ik volgde gewoon een drang die in mij geplant was en die ik niet kon bestrijden als ik mezelf niet wilde vernietigen. Het is zeer droevig gesteld met onze vrijheid. Waarschijnlijk bestond zij nergens anders dan op papier. Van uiterlijke vrijheid kon zowiezo nooit sprake zijn maar ik heb ook nooit een mens gekend die innerlijk vrij zou zijn geweest. En ik heb dit feit nooit als beschamend gevoeld. Ik zie niet wat er oneervol aan zou moeten zijn zoals elk dier de opgelegde last te dragen en op het eind zoals elk dier te sterven. Ik weet niet eens wat eer is. Geboren worden en sterven is niet eervol, het gebeurt ieder schepsel en betekent bovendien helemaal niets. Ook de uitvinders van de wand hebben niet volgens een vrij wilsbesluit gehandeld maar zijn gewoon hun instinctmatige weetgierigheid gevolgd. Men had hen alleen, in het belang van het grotere geheel, ervan moeten afhouden hun uitvinding om te zetten in daden.’ p 75

 

‘Mijn handen, steeds met blaren en eelt bedekt, waren mijn belangrijkste werktuigen geworden. Ik had de ring al lang afgedaan. Wie zou zijn werktuigen met gouden ringen versieren? Het leek me absurd en belachelijk dat ik het vroeger had gedaan. Vreemd genoeg zag ik er in die tijd jonger uit dan toen ik nog een gemakkelijk leventje leidde. De vrouwelijkheid van een veertigjarige was van mij afgevallen, met de lokken, de kleine onderkin en de ronde heupen. Tegelijk raakte ik het bewustzijn een vrouw te zijn kwijt. Mijn lichaam, verstandiger dan ik, had zich aangepast en de ongemakken van mijn vrouwelijkheid tot een minimun beperkt. Ik kon rustig vergeten dat ik een vrouw was. Soms was ik een kind dat aardbeien zocht, dan weer een jonge man die hout zaagde, of, als ik met Perle op mijn magere knieen op de bank zat en naar de ondergaande zon keek, een zeer oud, geslachteloos wezen. Thans heeft mij de merkwaardige aantrekkingskracht, die in die tijd van mij uitging, volledig verlaten. Ik ben nog steeds mager, maar gespierd en mijn gezicht zit vol hele kleine plooitjes. Ik ben niet lelijk maar ook niet aantrekkelijk, meer als een boom dan als een mens, een taai, bruin stammetje, dat al zijn kracht nodig heeft om te overleven.
Als ik thans aan de vrouw denk die ik eens was, de vrouw met de kleine onderkin, die zeer veel moeite deed er jonger uit te zien dan ze was, voel ik weinig sympathie voor haar. Ik wil echter niet the hard oordelen over haar. Ze had toch nooit een mogelijkheid haar leven bewust vorm te geven. Toen ze jong was nam ze, onwetend, een zware last op zich en stichtte een familie en daarna was ze altijd ingeklemd in een benauwende overvloed van plichten en zorgen. Alleen een reuzin had zich kunnen bevrijden en zij was in geen enkel opzicht een reuzin, altijd slechts een geplaagde, oververmoeide vrouw met een middelmatig verstand, en daarenboven in een wereld die vijandig stond tegenover vrouwen en voor hun vreemd en onheilspellend was. Van veel dingen wist ze een beetje, van veel helemaal niets, over het geheel genomen heerste in haar hoofd een verschrikkelijke wanorde. Het was net genoeg voor de maatschappij waarin ze leefde die net zo onwetend en gejaagd was als zij zelf. Maar een ding moet ik haar te goede houden: ze voelde altijd een dof onbehagen en wist dat dit alles veel te weinig was.’ p 82-83

 

tekening, marwin vos

 

 

‘Na het ontwaken, wanneer de geest nog door de slaap verlamd is, zie ik soms dingen voor ik ze kan ordenen en herkennen. De indruk is beangstigend en bedreigend. Pas het herkennen verandert de stoel met kleren in een vertrouwd voorwerp. Net was het nog iets onzegbaar vreemds en gaf het me hartkloppingen. Ik hield me niet heel vaak bezig met deze pogingen, maar ‘t was ook niet eigenaardig dat ik het uberhaupt deed. Er was ook niets wat me kon afleiden en mij kon bezighouden, geen boeken, geen gesprekken, geen muziek; niets. Sinds mijn jeugd was ik het verleerd de dingen met mijn eigen ogen te zien en ik was vergeten dat de wereld eens jong, onaangeraakt en zeer mooi en schrikwekkend was geweest. Ik kon niet meer terugvinden, ik was toch geen kind meer en niet meer in staat als een kind te beleven, maar de eenzaamheid bracht me ertoe, ogenblikken lang zonder herinnering en bewustzijn nog eenmaal de grote glans van het leven te zien. Misschien leven de dieren tot hun dood in een wereld van verschrikking en verrukking. Ze kunnen niet vluchten en moeten de werkelijkheid tot hun einde verdragen. Zelfs hun dood is zonder troost en hoop, een werkelijke dood. Ook ik was, zoals alle mensen, altijd op de snelle vlucht en altijd door dagdromen bevangen. Omdat ik de dood van mijn kinderen niet had gezien, beeldde ik me in dat ze nog leefden. Maar ik zag, hoe Luchs was doodgeslagen, ik zag de hersenen uit Stier’s gesplitste schedel spillen en ik zag hoe Perle zich als een ding zonder botten heensleepte en doodbloedde, en steeds voelde ik weer het warme hart van de ree in mijn handen koud worden.


Dat was de werkelijkheid. Omdat ik dat allemaal had gezien en gevoeld, valt ‘t me zwaar overdag te dromen. Ik heb een sterke weerzin tegen dagdromen en ik voel dat de hoop in me afgestorven is. Het jaagt me angst aan. Ik weet niet of ik het zou verdragen slechts met de werkelijkheid te leven. Soms probeer ik met mezelf om te gaan als met een robot: doe dit en ga daarheen en vergeet niet dat te doen. Maar het lukt maar korte tijd. Ik ben een slechte robot, steeds nog een mens, die denkt en voelt en zal me zelf beide dingen niet kunnen afleren. Daarom zit ik hier en schrijf alles op wat gebeurd is en het kan me niet schelen of de muizen de aantekeningen zullen opvreten of niet. Het komt er slechts op aan te schrijven en omdat er geen gesprekken meer zijn met anderen, moet ik het eindeloze zelfgesprek aan de gang houden. Het zal het enige bericht zijn dat ik ooit zal schrijven want wanneer het is geschreven zal er in huis geen stukje papier meer zijn waarop men zou kunnen schrijven. Nu al ril ik weer voor het moment dat ik naar bed moet gaan. Dan zal ik met open ogen liggen tot de kat naar huis komt en haar warme nabijheid mij de verlangde slaap zal schenken. Zelfs dan ben ik nog niet in zekerheid. Wanneer ik weerloos ben kunnen mij dromen overvallen, zwarte nachtdromen.
Het valt me zwaar me in gedachten terug te vinden in die zomer op de alm die me erg onwerkelijk en ver toeschijnt. Toen leefden Luchs, Tijger en Stier nog en ik had geen vermoeden. Soms droomde ik dat ik de alm zoek en niet meer kan vinden. Ik ga door kreupelhout en woud, over hobbelige steilten en als ik wakker word ben ik moe en verslagen. Het is vreemd, in mijn droom zoek ik de alm en tijdens het waken ben ik blij wanneer ik er niet eens aan hoef te denken. Ik wil haar nooit weer zien, nooit weer.’ p 210-212

 

‘Soms kan ik geen weerstand bieden en speel een beetje de voorzienigheid; ik red een dier van een zekere dood of schiet een stuk wild omdat ik vlees nodig heb. Maar het bos is met mijn prutswerk zo klaar. Een nieuwe ree groeit op, een ander dier rent de vernietiging in. Ik ben geen serieus te nemen spelbreker. De brandnetels bij de stal zullen verder groeien, ook al roei ik ze honderd keer uit en ze zullen me overleven. Ze hebben zoveel meer tijd dan ik. Op een keer zal ik er niet meer zijn, en niemand zal de wei maaien, het kreupelhout zal er binnendringen en later zal het bos tot aan de wand doordringen en het land heroveren dat de mens heeft geroofd. Soms raken mijn gedachten in de war en het is of het bos is begonnen in mij wortel te schieten en met mijn hersenen haar oude, eeuwige gedachten te denken. En het bos wil niet dat de mensen terugkomen.’ p 185

 

alle fragmenten vertaling marwin vos

 

 

 

tekstfragmenten uit De Mansarde (vertaling Ria van Hengel)

 

“Mijn doel is een vogel tekenen die niet de enige vogel op de wereld is. Daarmee bedoel ik dat je dat op het eerste gezicht moet kunnen zien. Tot nu toe is het me niet gelukt en ik betwijfel of het me ooit zal lukken. Soms denk ik dat het eindelijk zover is, maar de volgende dag sta ik voor de tekening en dan zie ik dat de vogel niet weet dat er behalve hij nog andere van zijn soort zijn, en ik pak de tekening en berg hem op in de kast. Daar liggen al hele stapels eenzame vogels, tekeningen die niemand behalve ik ooit heeft gezien. Alleen Hubert kent er een paar, maar voor hem zijn het gewoon kleine kunstwerkjes, hij weet niet dat ze allemaal zijn mislukt. Zo nu en dan is er weer een sprankje hoop, maar heel zelden. Jaren geleden, toen ik me nog helemaal niet op vogels had vastgelegd, was er een keer een spreeuw die eruit zag alsof hij in de verte de roep van een andere spreeuw uit de aangrenzende tuin hoorde. De manier waarop hij zijn kop hield en zijn opgezette veren wezen daarop. Maar het was slechts een vermoeden, niet een elkaar herkennen. Toch was ik toen dolblij. Dat tekeningetje is in de oorlog verloren gegaan.”

 

“Op straat ligt een grijze brij van sneeuw, niet veel, maar net zo veel dat je gemakkelijk kunt uitglijden en door de auto’s wordt besproeid. De straat is hier zo breed en zonder oversteekplaats voor voetgangers dat ik niet anders dan met tegenzin oversteek. Oude mensen staan soms een hele tijd aan de kant en durven zich niet in dat avontuur te storten. Dat herinnert mij altijd aan die grote drijfjachten waarbij het wild onbarmhartig naar de geweerloop van de jagers toe wordt gedreven. Het is nauwelijks te geloven wat mensen allemaal accepteren, maar tenslotte accepteer ik het ook. Wie dat niet kan gaat eraan of komt in het ziekenhuis of de psychiatrische inrichting terecht. daar wordt de ergste schade hersteld en dan wordt de patiënt weer de grote drijfjacht in gejaagd.” (66)

 

“Het zou hoe dan ook goed zijn om eens niet te hoeven denken, om niets anders te zijn dan een lichaam in de ruimte, dat zich heel licht en zeker beweegt. Om te weten dat de tijd een verzinsel is en niets mij tot haast aanzet. Ik wou dat ik eens echt mocht kijken en de dingen zo kon zien als ze zich nooit aan ons voordoen. Daarom ga ik ook zo graag naar bed, want vlak voordat je in slaap valt zijn er alleen beelden, geen tijd en geen gedachten, uitsluitend beelden en daarna het uitdoven en het niets meer weten. Ik val meestal op mijn buik in slaap, wat een teken schijnt te zijn van een slecht, egocentrisch karakter. Misschien heb ik dat inderdaad, maar het is heerlijk om op je buik te kunnen liggen en de wereld je rug toe te keren, tenminste voor een paar uur.” (68)

 

tekening, marwin vos

 

`

fragmenten verzameld ter gelegenheid van het programma vogelgeluiden_1 in Perdu, 31 maart 2017

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren
Bewaren

Bewaren

Bewaren